I

n deze serie vertelt Saeed Al-Gariri over zijn ervaringen als vluchteling in Nederland. Reflecties vol humor en poëzie, waarin hij de balans probeert terug te vinden in zijn nieuwe leven.

Asielzoeker in Ter Apel

Sinds juni 2014 ben ik in Nederland. Wat vliegt de tijd toch! Ik denk terug aan de eerste maanden. Gemengde gevoelens heb ik, bij heel veel verschillende herinneringen. Die zal ik nooit vergeten.

Ik schreef in mijn dagboek.
Vanaf dit moment ben jij een asielzoeker, zei ik tegen mezelf. Hoorde je wat ik zei? Ik herhaalde: jij bent maar een asielzoeker. Een asielzoeker, een vreemde, een onbekende. Jij hebt geen land hier, geen familie, geen vrienden. Niets, behalve één ding: het besef dat jij een asielzoeker bent.
Wat is het lastig om jezelf op een onbekend lot te richten. Ik heb geen keuze, ik kan niets anders zijn. Wat is het moeilijk om een asielzoeker te zijn!

Vanaf heden moet ik het verleden achter me laten. Mijn hele verleden is nul. Wat gaat er morgen gebeuren? Ik weet het niet. Ik weet slechts één ding: dat ik een asielzoeker ben.

Ik weet het nog. In het AZC, het asielzoekerscentrum, in Ter Apel woonde ik samen met veel andere mensen. Het krioelde ervan. Vanuit de plek waar ik zat zag ik veel lotgenoten. Mannen en vrouwen met hun kinderen. Zij kwamen uit verschillende landen: Syrië, Eritrea, Libië, Iran, Irak, Afghanistan, Soedan, enzovoort. Zij waren moe, ongerust en verdrietig, net zoals ik. Maar zelf vond ik het AZC toch een beetje leuk, door het glimlachen van de politieagenten. Misschien leken ze zo aardig omdat ik slechte ervaringen had met de politie in mijn land. Zo dacht ik.

Ik zag jammerlijke tonelen op het beeldscherm van mijn geheugen. Tien politieagenten, die hun wapens richtten op arme mensen in de straat. Zij beschoten hen. Een van hen was gevallen. Hij verloor veel bloed. Wat erg! Hij was doodgeschoten. Iedereen was verdacht, totdat zijn onschuld was bewezen. De politieagenten hielden zich niet aan het basisrechtsbeginsel ‘een verdachte is onschuldig tot het tegendeel is bewezen’.

In een kleine kamer

Sliep ik gisterennacht? Ik weet het eigenlijk niet. Tot half twaalf lag ik in een stapelbed, boven een Syrische asielzoeker, in een gedeelde kamer met acht anderen. De Syriër had zich geërgerd aan alles. Totdat hij mijn glimlach zag. Hij lachte terug en vroeg: ‘Hoe bewaar je jouw glimlach op een plek als deze?’
Ik vertelde hem dat het een geheim was. In de bus naar het nieuwe AZC zat hij naast me. We praatten met elkaar over onze landen en problemen. Nadat hij mijn verhaal had gehoord, keek hij me verbaasd aan en zei: ‘Toen ik je voor de eerste keer zag, dacht ik dat je nooit verdriet had gekend.’Ik glimlachte en antwoordde: ‘Mijn glimlach is een kracht die het verdriet verslaat.’

‘Ik voelde me vrij en blij, alsof ik opnieuw geboren was.’

‘s Avonds waren we aangekomen in het AZC te Overloon (1). Het was vroeger een jeugdinrichting geweest, zeiden ze. Maar mij leek het nu wel een driesterrenhotel op het platteland. Ik had een eigen kleine kamer met badkamer en toilet, eenpersoonsbed, tafel, stoel, kast, koelkast, tv aan de wand en waterkoker. Ik herinner me nu ieder detail, zelfs het nummer van de kamer (3.10) en de gezichten van de buren in mijn vleugel van het gebouw. Ik herinner me ook dat het meubilair nieuw was.
Ik was moe, daarom sliep ik al om elf uur. Het was een stille nacht. Het gaf me een fijn gevoel, zodat ik een kort gedicht schreef voor ik naar bed ging.

De stilte is fabelachtig en lekker hier.
De avond,
Zelfs de avond is krankzinnig rustig!
Zelfs de regen ook.

Wat een regen!
Die fluistert van de ochtend tot de avond,
‘s middags en ‘s avonds.

Het gedicht flirt met je fantasie.

‘s Ochtends werd ik om zes uur wakker. Mijn kleine kamer was nog steeds de stilste plaats ter wereld. Uit mijn kleine raam aanschouwde ik mijn nieuwe omgeving, op de eerste dag in Overloon, onder een bewolkte hemel. Alsof ik de enige persoon op de wereld was. Hier werd ik een nieuw mens. Niemand die me kende. Ik was Saeed, zonder een achternaam, zonder welke titel dan ook, zoals bijvoorbeeld hoogleraar. Ik voelde me blij en vrij, alsof ik opnieuw geboren was.

Optimisme

Niet nu, maar binnen twee maanden verwacht ik een uitnodiging van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om te beginnen met de eerste stappen van mijn asielaanvraag. Men vertelde me in het AZC dat nog steeds duizenden asielzoekers dagelijks naar Nederland komen. Dus moet ik op die uitnodiging wachten. Elke dag praatte ik op de binnenplaatsen met verschillende asielzoekers. Over het algemeen waren zij moe en ongerust. Ieder van hen had zijn eigen traumatische verhalen over de oorlog of over de dictatuur in zijn land. En zij vertelden over gevaarlijke avonturen op weg naar Nederland aan de zee.
Zij waren moe en ongerust en zij hadden altijd negatieve gevoelens en scepsis over iedereen en alles. Maar ik gaf hen hoop, en een nieuwe invalshoek.
‘We moeten optimistisch zijn. Het pijnlijke verleden moeten we vergeten’, zei ik steeds.
Ooit zei een Arabische dichter:

Het verleden ging voorbij.
De toekomst komt zeker.
De verwachtingen leven in een onzichtbare wereld,
maar wat je echt hebt is het uur waarin je leeft.
Vergeet niet dat je leven op dit moment begint.

Met dank aan Gijs van Hesteren voor redactionele ondersteuning.

(1) Overloon is een dorp met 3.991 inwoners aan de rand van de Peel, in de gemeente Boxmeer, in de Nederlandse provincie Noord-Brabant.

Fotografie: © Rob Godfried

Laat een reactie achter

Laat een opmerking achter
Vul je naam in